KNVvL Modelvliegsport

Regeling Modelvliegen

Modelvliegen / lichte onbemande luchtvaartuigen / UAS / RPAS

(Tekst van de Regeling modelvliegen, geldend op: 01-10-2013) dus inclusief de wijzigingen van 1 juli 2013 en 1 oktober 2013 met daaronder de toelichtingen bij de oorspronkelijke Regeling modelvliegen (2005) en bij de wijzigingen van 2009 en 2013.1

De Regeling modelvliegen bevat tijdelijk ook een verbod voor (het beroepsmatig gebruik) van een licht onbemand luchtvaartuig. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu kan (i.o.m. de Minister van Defensie) vlgs artikel 5.5, derde lid Wet luchtvaart ontheffing verlenen van dit verbod. Zie hiervoor het informatiebulletin V0.7 op www.ilent.nl onder transport, luchtvaart, dronevliegers.

Informatie over de (regels voor) modelvliegen: www.ilent.nl onder transport, luchtvaart, modelvliegers.

Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 2 december 2005, nr. HDJZ/LUV/2005-2297, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels voor vluchten met een modelvliegtuig (Regeling modelvliegen)

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op artikel 5.7 van de Wet luchtvaart en artikel 56 van het Luchtverkeersreglement2;

Besluit:

Artikel 1

1. Het is verboden deel te nemen aan het luchtverkeer:

  1. met een licht onbemand luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel c, van het Luchtverkeersreglement;
  2. met een modelluchtvaartuig als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van het Luchtverkeersreglement indien dit luchtvaartuig wordt gebruikt uit hoofde van een bedrijf of beroep dan wel tegen vergoeding of met baat.

2. Het verbod, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op het gebruik van een modelluchtvaartuig voor vlieglessen.

3. Deze regeling is niet van toepassing op vluchten met militaire onbemande luchtvaartuigen.

Artikel 1a

Het is verboden deel te nemen aan het luchtverkeer met een modelluchtvaartuig als bedoeld in artikel 1a van het Luchtverkeersreglement of een licht onbemand luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1a van het Luchtverkeersreglement in de gebieden, bedoeld in artikel 1 van de Regeling sluiting luchtruim boven Den Haag en kasteel Drakensteijn, artikel 1 van de Regeling sluiting luchtruim Scheveningen en artikel 1 van de Regeling sluiting luchtruim nationale herdenkingen.

Artikel 23

Onverminderd artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en artikel 1a gelden voor een vlucht met een modelluchtvaartuig4 de volgende regels:

  1. de vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met de algemene vliegvoorschriften5 voor zover daarvan niet wordt afgeweken in deze regeling;
  2. de vlucht wordt slechts uitgevoerd onder omstandigheden en op locaties waarbij er vanaf de grond tijdens de gehele vlucht goed zicht is op het modelluchtvaartuig en het luchtruim daaromheen;
  3. de bestuurder houdt tijdens de gehele vlucht goed zicht op het modelluchtvaartuig;
  4. een hoogtemeter hoeft niet te worden gebruikt;
  5. het is verboden voorwerpen of stoffen te verwijderen tijdens de vlucht, met uitzondering van zand, water of voorwerpen waarvan de massa niet meer is dan 200 gram per voorwerp overeenkomstig door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 13 van het Luchtverkeersreglement te stellen regels6;
  6. een ander modelluchtvaartuig of een net of doek mag worden gesleept;
  7. kunstvluchten mogen worden uitgevoerd;
  8. de vlucht wordt niet uitgevoerd buiten de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in artikel 60, onder a, van het Luchtverkeersreglement bedoelde luchtvaartgids7;
  9. de vlucht wordt niet uitgevoerd boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie-en havengebieden daaronder begrepen dan wel boven mensenmenigten of boven spoorlijnen of voor motorrijtuigen toegankelijke verharde openbare wegen, met uitzondering van wegen in 30 km-zones binnen de bebouwde kom en wegen in 60 km-gebieden buiten de bebouwde kom;
  10. voor een vlucht wordt geen vliegplan ingediend;
  11. gecontroleerde vluchten8 zijn niet toegestaan;
  12. vluchten zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 300 meter boven de grond of het water in luchtruim met klasse G, mits 1° voor vluchten binnen een afstand van 3 km van een ongecontroleerde luchthaven9 of een terrein dat geschikt is om tijdelijk en uitzonderlijk te worden gebruikt, waarvoor krachtens artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart ontheffing is verleend10, geen bezwaar bestaat bij de exploitant van de luchthaven respectievelijk de houder van de ontheffing;
    2° voor vluchten binnen een gebied waarin laag mag worden gevlogen door civiele of militaire luchtvaartuigen11 iemand met de bestuurder van het modelluchtvaartuig meekijkt om deze te kunnen waarschuwen voor luchtvaartuigen;
  13. vluchten zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 450 meter boven de grond of het water, mits dit gebeurt binnen een aerodrome traffic zone van een militaire luchthaven waarop modelvliegen is toegestaan en dit gebied exclusief voor modelvliegen wordt gebruikt of met de andere gebruiker(s) sluitende afspraken zijn gemaakt inzake separatie;
  14. vluchten zijn toegestaan in luchtruim met klasse C12, mits op schriftelijk verzoek van belanghebbende een convenant is gesloten met de organisatie die de plaatselijke luchtverkeersleiding verzorgt en de bestuurder zich houdt aan de afspraken in dat convenant13;
  15. de regels voor de bediening van boordapparatuur voor het beantwoorden van vragen door radargrondstations gelden niet;
  16. de regels voor de navigatie-en telecommunicatie-installaties waarmee een luchtvaartuig voor het uitvoeren van een VFR-vlucht is uitgerust, gelden niet.

Artikel 3

Modelluchtvaartuigen worden aangewezen als onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart.

Artikel 4

Deze regeling berust op artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart en artikel 1a, derde lid, van het Luchtverkeersreglement.

Artikel 5 [Vervallen per 01-10-2013]

Artikel 6 [Vervallen per 01-10-2013]

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modelvliegen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
M.H. Schultz van Haegen


Toelichting (Regeling modelvliegen 2 dec. 2005)

Algemeen

In de wet van 29 april 1999, houdende wijziging van de Wet Luchtverkeer (luchtvaartuigen en vluchtuitvoering; Stb, 1999, 235), sinds 1 juli 1999 de Wet luchtvaart geheten, is een nieuwe definitie van luchtvaartuig gegeven. Het voordien onder de Luchtvaartwet geldende systeem dat bij algemene maatregel van bestuur toestellen wel of niet onder het begrip luchtvaartuig gebracht werden, kwam daarmee te vervallen. Daarmee is artikel 59 van het Luchtverkeersreglement in feite inhoudloos geworden. Die bepaling regelt het gebruik van het luchtruim door niet-luchtvaartuigen en is de grondslag voor een ministeriële regeling. Op grond van deze bepaling is de oorspronkelijke ministeriële regeling voor modelvliegtuigen vastgesteld14. In de praktijk is nodig gebleken, mede door de toename van het luchtverkeer, voor modelvliegtuigen enige gebruiksregels te stellen. De desbetreffende regeling is gebaseerd op artikel 56 van het Luchtverkeersreglement. Dit artikel voorziet in het stellen van nadere regels ten aanzien van vluchten waarbij door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan bij of krachtens hoofdstuk III van het Luchtverkeersreglement gestelde regels. Gelet op de aard van het modelvliegtuig is het evident dat niet kan worden voldaan aan tal van verplichtingen van dat hoofdstuk.15

De regeling is in nauw overleg met de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL) tot stand gekomen. In het kader van deregulering en zelfregulering zijn inhoudelijke normen met betrekking tot de constructie en besturing uit de Regeling modelvliegtuigen niet overgenomen. Het is aan de sector om de inhoudelijke normen zelf in te vullen. Daarbij wordt de bestuurder van een modelvliegtuig geadviseerd, teneinde op een verantwoorde wijze de modelvliegsport te beoefenen, veiligheidsmaatregelen te nemen, zoals die bijvoorbeeld zijn opgenomen in het basis veiligheidsreglement modelvliegsport van de KNVvL. (Zie www.knvvl.nl)

Voor modelvliegtuigen waarvan de totale massa ten hoogste 25 kg bedraagt zijn al delen van de luchtvaartwet-en regelgeving niet van toepassing verklaard:

a. artikel 2.1, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart met het verbod om een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of gelijkstelling, zodat voor het besturen van een modelvliegtuig geen door de Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven vliegbewijs nodig is (Artikel 11 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart);

b. hoofdstuk 3 van de Wet luchtvaart en het Besluit luchtvaartuigen16 met regels voor nationaliteitskenmerken en registratie, luchtwaardigheid (certificatie en onderhoud), zodat een modelvliegtuig niet hoeft te zijn ingeschreven in het luchtvaartuigregister en geen bewijs van luchtwaardigheid nodig is (Artikel 1 van het Besluit luchtvaartuigen17);

c. artikel 14, eerste lid onderdelen a en b, van de Luchtvaartwet, zodat het niet verboden is om met een modelvliegtuig te starten van of te landen op een terrein dat geen luchtvaartterrein is (Artikel 1a van het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen).18

Een modelvliegtuig is, zodra het vliegt, onderdeel van het luchtverkeer. De verplichtingen voor luchtverkeer bij of krachtens de Wet luchtvaart zijn van toepassing op degene die verantwoordelijk is voor een modelvliegtuig.

Een basisregel is het verbod in artikel 5.3 van de Wet luchtvaart om op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht. Artikel 5.4 van de Wet luchtvaart verbiedt het om boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie-en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen.

Volgens artikel 5.7 van de Wet luchtvaart is de gezagvoerder ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Degene die een modelvliegtuig bestuurt of oplaat geldt als gezagvoerder.

In vergelijking met de in te trekken Regeling modelvliegtuigen beperkt de onderhavige regeling zich tot het stellen van enige gebruiksregels. De technische voorschriften uit de Regeling modelvliegtuigen zijn niet meer overgenomen en vervallen derhalve. Wat de gebruiksregels betreft is nieuw het sluiten van een convenant met de desbetreffende luchtverkeersleidingsorganisatie (zie artikelsgewijs, artikel 2). Het initiële convenant vergt voorbereiding en zal inspanning en in tijd een aantal dagdelen kosten. Het verlengen van lopende convenanten zal daarentegen naar verwacht nauwelijks extra inspanning vergen. Tenslotte streeft de KNVvL er naar een modelconvenant op te stellen.

De onderhavige regeling betreft alleen het gebruik van het luchtruim. Andere onderwerpen ook die welke in verordeningen van lagere overheden kunnen zijn geregeld, bijvoorbeeld in het kader van milieu, openbare orde en veiligheid, vallen buiten de reikwijdte van deze regeling.

Artikelsgewijs

Artikel 2

Bij modelvliegen blijft de bestuurder/gezagvoerder op de grond. De veiligheid van het modelvliegen vereist derhalve in de eerste plaats goed zicht vanaf de grond op het modelvliegtuig en het luchtruim daaromheen.

Luchtruim met de klasse G is vanaf de grond gezien al het luchtruim direct boven de grond buiten de plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden. Die laatste gebieden hebben de klasse C, hetgeen inhoudt, dat daarin aan alle vluchten luchtverkeersleiding wordt verstrekt, en liggen rond zowel burger-als militaire luchtvaartterreinen waar plaatselijke luchtverkeersleiding wordt gegeven. Om met een modelvliegtuig binnen een plaatselijk luchtverkeersgebied te mogen vliegen dient een convenant te worden gesloten, de luchtverkeersleider ter plaatse kan en mag geen toestemming verlenen. In het convenant kunnen dan in lijn met de regeling op de plaatselijke omstandigheden afgestemde gebruiksbepalingen worden opgenomen, zoals bijvoorbeeld de maximale vlieghoogte, het type modelvliegtuig of de afmetingen van het vlieggebied.

Het Ministerie van Defensie heeft al een zogenaamde raamvergunning voor burgermedegebruik van militaire luchtvaartterreinen afgegeven aan de KNVvL. Deze is van toepassing op specifieke militaire luchtvaartterreinen. Voor het modelvliegen buiten zo'n terrein, maar binnen het plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied kan men zich wenden tot het Ministerie van Defensie, TL/AOO/HB M LVB, Postbus 20703, 2500 ES Den Haag

Voor het noodzakelijke convenant binnen de burgerluchtverkeersleidingsgebieden kan men zich wenden tot het bestuur van LVNL, Postbus 75200 1117 ZT Luchthaven Schiphol – zie www.lvnl-ohd.nl

Modelvliegen vanaf een luchtvaartterrein of een terrein met een ontheffing ex artikel 14 Luchtvaartwet19 is in principe ook mogelijk (omdat dit de meest extreme vorm ‘binnen een afstand van 3 km’ is). Het certificaat van het luchtvaartterrein en de planologische mogelijkheden zijn dan automatische randvoorwaarden.

Laag vliegende luchtvaartuigen zijn met name te verwachten inde plaatselijke luchtverkeers­leidingsgebieden (met luchtruim klasse C), oefengebieden, laagvlieggebieden en -routes en bij luchtvaartterreinen. Deze locaties zijn te vinden in de luchtvaartgids (aeronautical information publication). Deze gids is o.a. te raadplegen via internet op www.ais-netherlands.nl

Omdat de minimum vlieghoogte voor luchtvaartuigen onder zichtvliegvoorschriften (VFR) buiten aaneengesloten bebouwing 500 voet (150 m) bedraagt, bestaat de mogelijkheid van een conflict tussen een modelvliegtuig en een (waarschijnlijk klein) luchtvaartuig. Het is primair de bestuurder van het modelvliegtuig die een dergelijk conflict kan en moet voorkomen. Hij dient daartoe dan ook alle maatregelen te nemen. Een dergelijke maatregel zou bijvoorbeeld kunnen zijn iemand met de bestuurder mee te laten kijken om te kunnen waarschuwen voor andere luchtvaartuigen.

Artikel 3

Artikel 5.7, eerste lid, van de Wet luchtvaart bepaalt dat de gezagvoerder zich aan boord van het luchtvaartuig bevindt. Ingevolge het derde lid van deze bepaling kan de Minister van Verkeer en Waterstaat bij ministeriële regeling onbemande luchtvaartuigen aanwijzen waarop het eerste lid niet van toepassing is. In onderhavig artikel is het modelvliegtuig aangewezen als onbemand luchtvaartuig.

Toelichting bij de wijziging van de Regeling modelvliegen in 2009 (ref artikel 2 onderdeel l, eerste lid)

De onderhavige (wijzigings)regeling bevat juridisch-technische aanpassingen van een aantal ministeriële regelingen aan de wijzigingswet van 18 december 2008 1, waarbij onder meer de regeling voor het aanwijzen van luchthavens in de Luchtvaartwet is vervangen door een regeling in de Wet luchtvaart. Het gaat met name om terminologische aanpassingen en om het vervangen van verwijzingen naar de Luchtvaartwet door verwijzingen naar de Wet luchtvaart. Zo wordt het begrip ‘luchtvaartterrein’ vervangen door ‘luchthaven’. Daarnaast bevat deze regeling enkele wetstechnische correcties.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C.M.P.S. Eurlings.


TOELICHTING bij de wijziging van 20 juni 2013 (gedeeltelijk in werking tredend op 2 juli 2013 en op 1 oktober 2013)

Algemeen
De titels 5.1 en 5.2 van de Wet luchtvaart en het Luchtverkeersreglement (LVR) zijn niet van toepassing op de in artikel 1a, eerste lid, van het LVR genoemde bijzondere luchtvaartuigen. Artikel 1a, derde lid, van het LVR bevat een grondslag om regels te stellen ten aanzien van de deelname aan het luchtverkeer met deze bijzondere luchtvaartuigen. Met de onderhavige regeling tot wijziging van de Regeling modelvliegen worden ter uitvoering van dit artikellid regels gesteld ten aanzien van lichte onbemande luchtvaartuigen en modelluchtvaartuigen. Voorts wordt de Regeling tarieven luchtvaart 2008 op een onderdeel gewijzigd. De wijziging van de Regeling modelvliegen wordt toegelicht in de onderhavige paragraaf en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I. De wijziging van de Regeling tarieven luchtvaart 2008 wordt toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel II.

De Regeling modelvliegen bevat reeds regels voor modelluchtvaartuigen waarvan de totale startmassa niet meer dan 25 kg bedraagt. Deze regels beogen het recreatieve gebruik van deze luchtvaartuigen te reguleren. Door de sterke groei in operaties van lichte onbemande luchtvaartuigen en modelluchtvaartuigen die een beroepsmatig karakter hebben, wordt het wenselijk geacht om in de Regeling modelvliegen duidelijker het onderscheid te formuleren tussen laatstgenoemde operaties enerzijds en het gebruik van modelluchtvaartuigen voor recreatieve doeleinden anderzijds.

Met de onderhavige wijziging wordt allereerst verduidelijkt dat de in de Regeling modelvliegen (artikel 2) opgenomen regels gelden voor het recreatief gebruik van modelluchtvaartuigen. Het gebruik van modelluchtvaartuigen uit hoofde van een bedrijf of beroep, tegen vergoeding of met baat wordt immers met de onderhavige regeling expliciet verboden.

Tot op heden heeft het recreatieve gebruik van modelluchtvaartuigen een uitstekende staat van dienst op het gebied van veiligheid van de operaties en is dit gebruik om die reden toegestaan onder de in de Regeling modelvliegen opgenomen regels. Naast de individuele besturing van (speelgoed)vliegtuigjes op incidentele basis betreft het de beoefening van de modelvliegsport in verenigingsverband. Deze heeft van oudsher een recreatief, plaatsgebonden karakter en vindt plaats op daartoe bestemde terreinen. Binnen deze tak van sport is sprake van zelfregulering. Vastgesteld kan echter worden dat de afgelopen jaren het karakter van het recreatieve gebruik van modelluchtvaartuigen wijzigt. Naast voornoemd gebruik van modelluchtvaartuigen wordt steeds vaker buiten verenigingsverband om gevlogen met modelluchtvaartuigen, waarbij in veel gevallen gebruik wordt gemaakt van camera’s aan boord.

Reeds in de huidige situatie mag (op grond van artikel 2, onderdeel b, van de Regeling modelvliegen) de vlucht slechts worden uitgevoerd onder omstandigheden waarbij er vanaf de grond tijdens de gehele vlucht goed zicht is op het modelluchtvaartuig en het luchtruim daaromheen en moet (op grond van artikel 2, onderdeel c, van de Regeling modelvliegen) de bestuurder tijdens de gehele vlucht goed zicht houden op het modelvliegtuig. Om die reden is besturing op basis van een camera aan boord (first person view) niet mogelijk.

Op dit moment wordt nog niet overgegaan tot een algemeen verbod vanuit veiligheidsoverwegingen voor de besturing van een modelluchtvaartuig met een camera aan boord. De algemene regels voor modelluchtvaartuigen worden vooralsnog voldoende geacht, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op het met de onderhavige regeling voor alle vormen van recreatief gebruik van modelluchtvaartuigen vastgestelde verbod om te vliegen met modelluchtvaartuigen boven mensenmenigten, bebouwing, openbare wegen (autosnelwegen, autowegen en ontsluitingswegen) en spoorlijnen.

Bij de verdere ontwikkeling van regelgeving met betrekking tot lichte onbemande luchtvaartuigen en modelluchtvaartuigen zal worden bezien of het huidige onderscheid tussen beroepsmatig gebruik enerzijds en recreatief gebruik anderzijds volstaat of dat vanuit veiligheidsoverwegingen nadere regelgeving is gewenst met betrekking tot het recreatieve gebruik van modelluchtvaar­tuigen met een camera aan boord.

Overigens zij benadrukt dat te allen tijde de in artikel 5.3 van de Wet luchtvaart neergelegde algemene bepaling ter bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim moet worden nageleefd. Dit betekent dat, ook bij afwezigheid van een algemeen verbod op het recreatieve gebruik van modelluchtvaartuigen, van het gebruik van een modelluchtvaartuig dan wel van het gebruik van een camera moet worden afgezien, indien daardoor personen of zaken in gevaar kunnen worden gebracht.

Ten aanzien van het beroepsmatig gebruik van lichte onbemande luchtvaartuigen zij benadrukt dat dit gebruik in de huidige situatie reeds verboden is zonder bewijs van bevoegdheid en zonder geldig bewijs van luchtwaardigheid op basis van respectievelijk het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart en het Besluit luchtvaartuigen 2008. Indien aannemelijk is gemaakt dat de bestuurders en het luchtvaartuig veilig hun vlucht kunnen voorbereiden en uitvoeren, wordt onder voorschriften en beperkingen ontheffing verleend van deze verboden. In verband met het toegenomen veiligheidsrisico wordt in aanvulling op de reeds geldende verboden een verbod ingesteld op grond van het LVR voor lichte onbemande luchtvaartuigen en modelluchtvaartuigen, voor zover deze beroepsmatig, bedrijfsmatig dan wel tegen vergoeding of met baat worden gebruikt. Dit toegenomen veiligheidsrisico wordt door twee aspecten veroorzaakt. Allereerst is sprake van een toename van het aantal vluchten met lichte onbemande luchtvaartuigen. In toenemende mate voeren bedrijven en overheid vluchten met lichte onbemande luchtvaartuigen uit, vaak met luchtvaartuigen met een startmassa van 25 kg of minder. Hierbij kan gedacht worden aan het maken van foto-en videorapportages, inspecties en luchtobservaties.

Gezien de internationale ontwikkelingen zal de hoeveelheid operaties van deze luchtvaartuigen de komende jaren naar verwachting flink toenemen. Bovendien zal het hier met name operaties van commerciële aard betreffen. Dit betekent dat er langer op en rond dezelfde plek gevlogen zal worden, dat de randen van het gebied waarbinnen gevlogen mag worden vaker zullen worden opgezocht en dat ondanks minder geschikte meteorologische omstandigheden geprobeerd zal worden om te vliegen. Voornoemde aspecten betekenen een toename van het risico voor de veiligheid van derde partijen. Om deze reden is, mede ter uitvoering van internationale regelgeving, nadere regelgeving in voorbereiding op het gebied van brevettering, luchtwaardigheid en deelname aan het luchtverkeer.

Voor de periode tot de inwerkingtreding van deze regelgeving wordt met de onderhavige regeling op basis van het LVR een verbod tot deelname aan het luchtverkeer ingesteld voor niet-recreatief gebruik van lichte onbemande luchtvaartuigen en modelluchtvaartuigen, waarvan ontheffing kan worden verleend. De ontheffingverlening van dit verbod zal in lijn zijn met de huidige praktijk van ontheffingverlening, waarbij via de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen reeds de deelname aan het luchtverkeer wordt gereguleerd. Er zijn op het moment slechts enkele houders van een ontheffing. Zij zullen voorafgaand aan de inwerkingtreding van de onderhavige regeling worden benaderd door de Inspectie Leefomgeving en Transport teneinde ervoor te zorgen dat zij vanaf de inwerkingtreding van de onderhavige regeling kunnen opereren op basis van een ontheffing die tevens ziet op het met de onderhavige regeling ingestelde verbod. Aan deze ontheffing zullen dezelfde voorschriften en beperkingen zijn verbonden als aan de ontheffing zoals deze gold voor inwerkingtreding van de onderhavige regeling. Om die reden is afgezien van het opstellen van overgangsrecht.

De onderhavige regeling betreft alleen regels die worden gesteld aan de deelname aan het luchtverkeer door modelluchtvaartuigen met het oog op de veiligheid. Deze regels laten bestaande regels ten aanzien van luchtvaartuigen dan wel vliegvelden op het gebied van milieu onverlet als ook de bevoegdheid die lagere overheden kunnen hebben om regels te stellen met het oog op de veiligheid, het milieu of de openbare orde.

Uitvoering en handhaving

Een ontheffing op het verbod tot het uitvoeren van vluchten met een licht onbemand luchtvaartuig dan wel het uitvoeren van vluchten met een modelluchtvaartuig uit hoofde van een bedrijf of beroep, tegen vergoeding of met baat, kan worden aangevraagd bij de Inspectie Leefomgeving en Transport. De inspectie hanteert daarbij kaders voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer en ter bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim. Aan de ontheffing worden voorschriften en beperkingen verbonden.
Op grond van artikel 11.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart zijn de daartoe door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport belast met het toezicht op de naleving van voornoemd verbod, op de naleving van het verbod te vliegen in op grond van artikel 5.10 van de Wet luchtvaart gesloten gebieden, alsmede op de naleving van de regels voor modelvliegen. Daarnaast zijn de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren met het toezicht belast.

Op grond van artikel 11.9, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van de Wet luchtvaart, is overtreding van de krachtens artikel 5.5. van de Wet luchtvaart gestelde regels een strafbaar feit, voor zover dit in deze regels uitdrukkelijk is bepaald. Overtreding van de Regeling modelvliegen, zoals gewijzigd met onderhavige regeling, is een strafbaar feit. Deze regeling is gebaseerd op artikel 1a, derde lid, van het LVR, dat op haar beurt is gebaseerd op artikel 5.5. van de Wet luchtvaart. Artikel 63 van het LVR bepaalt dat handelen in strijd met het bepaalde krachtens artikel 1a van het LVR een strafbaar feit is. De strafmaxima20 voor overtreding van deze strafbare feiten zijn geregeld in artikel 11.9, eerste lid, aanhef en onder b sub 5, van de Wet luchtvaart.

Administratieve lasten

De Regeling modelvliegen bevat regels voor het toegestane recreatieve gebruik van een modelluchtvaartuig. Weliswaar is met de onderhavige regeling de deelname aan het luchtverkeer door lichte onbemande luchtvaartuigen en beroepsmatig gebruikte modelluchtvaartuigen verboden, maar de ontheffing van dit verbod maakt onderdeel uit van de reeds bestaande praktijk van ontheffingverlening, waarbij één verzoek wordt ingediend voor ontheffing van de verschillende verboden. De onderhavige regeling leidt er niet toe dat extra informatie moet worden verschaft aan de overheid in het kader van dit verzoek. Uit de onderhavige regeling vloeien dan ook geen extra administratieve lasten voort. Wel zal, gelet op de internationale ontwikkelingen, het aantal operaties van lichte onbemande luchtvaartuigen de komende jaren naar verwachting flink toenemen. Hiermee zullen ook het aantal aanvragen om een ontheffing en daarmee de administratieve lasten voor de sector als geheel fors toenemen. Zoals hiervoor aangegeven is, gelet op de verwachte toename van het aantal operaties met lichte onbemande luchtvaartuigen, de aard van deze operaties en de toename van het risico voor de veiligheid van derde partijen die hieraan inherent is, regelgeving in voorbereiding met betrekking tot lichte onbemande luchtvaartuigen op het gebied van brevettering, luchtwaardigheid en deelname aan het luchtverkeer. Voor de periode tot de inwerkingtreding van deze regelgeving wordt het met artikel I, onderdeel A, van deze regeling ingestelde verbod op deelname aan het luchtverkeer noodzakelijk geacht. In het algemeen deel van deze toelichting is nader ingegaan op de noodzaak van dit verbod.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

De besturing van lichte onbemande luchtvaartuigen en de besturing van modelluchtvaartuigen uit hoofde van een bedrijf of beroep, tegen vergoeding of met baat, vallen onder het in het nieuwe artikel 1 van de Regeling modelvliegen opgenomen verbod en kunnen derhalve niet plaatsvinden zonder ontheffing op grond van artikel 5.5, derde lid, van de Wet luchtvaart. Het gebruik van een modelluchtvaartuig voor vlieglessen blijft toegestaan onder de in de Regeling modelvliegen opgenomen voorwaarden. De in het algemeen deel van deze toelichting omschreven
risico’s die zich voordoen met vluchten van commerciële aard zijn hier niet aan de orde. Ook het
recreatieve gebruik van modelluchtvaartuigen blijft toegestaan onder de in de Regeling modelvliegen opgenomen voorwaarden. Ten aanzien van vluchten met militaire onbemande luchtvaartuigen zijn regels gesteld in de Regeling vluchten militaire onbemande luchtvaartuigen. Om die reden is het in het nieuwe artikel 1 opgenomen verbod niet van toepassing op deze vluchten.

Artikel I, onderdeel B

Met artikel I, onderdeel B, wordt geregeld dat het verbod om te vliegen in de op grond van artikel
5.10 van de Wet luchtvaart ingestelde gebieden ook geldt voor lichte onbemande luchtvaartuigen en modelluchtvaartuigen. Artikel 1a, derde lid, van het LVR biedt hiervoor de grondslag. Artikel
5.10 van de Wet luchtvaart, op basis waarvan de verschillende sluitingen zijn vastgesteld, zijn niet van toepassing op de bijzondere luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 1a van het LVR.

Artikel I, onderdeel C

De oude onderdelen h en i van artikel 2 van de Regeling modelvliegen zijn geschrapt omdat deze bepalingen onderdeel uitmaken van de in hoofdstuk III, afdeling 2, van het LVR opgenomen algemene vliegvoorschriften, die op grond van artikel 2, onderdeel a, van de Regeling modelvliegen ook gelden voor het uitvoeren van een vlucht met een modelluchtvaartuig. Het oude onderdeel o van artikel 2 van de Regeling modelvliegen, dat bepaalt dat de regels voor een radioverbinding met een luchtverkeersleidingsdienst niet gelden, is geschrapt, omdat reeds uit onderdeel k van dit artikel volgt dat deze regels niet gelden. Met de aan artikel 2 van de Regeling modelvliegen toegevoegde nieuwe onderdelen h en i worden respectievelijk de risico’s voor het overige luchtverkeer en voor derden op de grond beperkt. Met betrekking tot het verbod de vlucht met een modelluchtvaartuig uit te voeren boven de voor motorrijtuigen toegankelijke verharde openbare wegen zij opgemerkt dat een uitzondering geldt voor het vliegen boven wegen in 30 km-zones binnen de bebouwde kom en 60 km-gebieden buiten de bebouwde kom. Deze uitzondering laat het verbod om een vlucht uit te voeren boven aaneengesloten bebouwing of kunstwerken en boven mensenmenigten onverlet.

Artikel I, onderdelen A, B, C en D

Met het gebruik van het begrip ‘modelluchtvaartuig’ in de nieuwe artikelen 1 en 1a van de Regeling modelvliegen en de vervanging van het begrip ‘modelvliegtuig’ door ‘modelluchtvaartuig’ in de
artikelen 2 en 3 van de Regeling modelvliegen, wordt aangesloten bij de in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van het LVR opgenomen omschrijving van modelluchtvaartuig.

Artikel I, onderdeel E

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het LVR zijn modelluchtvaartuigen uitgezonderd van het toepassingsbereik van het LVR. Artikel 1a, derde lid, van het LVR bevat een basis om regels te stellen ten aanzien van de deelname aan het luchtverkeer met deze luchtvaartuigen. Met artikel 1, onderdeel E, wordt duidelijk gemaakt dat de Regeling modelvliegen tevens is gebaseerd op artikel 1a, derde lid, van het LVR.

Artikel II

Het in het nieuwe artikel 2 van de Regeling modelvliegen opgenomen verbod met betrekking tot de deelname aan het luchtverkeer door modelluchtvaartuigen is gebaseerd op artikel 1a, derde lid, van het LVR, dat op zijn beurt is gebaseerd op artikel 5.5, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart. Op grond van artikel 5.5, derde lid, van de Wet luchtvaart kan ontheffing worden verleend van dit verbod. Op grond van artikel 5.5, vijfde lid, van de Wet luchtvaart worden de bedragen ter vergoeding van de kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag om en de afgifte van genoemde ontheffing vastgesteld bij ministeriële regeling. Met artikel II van de onderhavige regeling wordt hieraan uitvoering gegeven.

Artikel III

Gelet op de enorme toename in beroepsmatig gebruik van onbemande luchtvaartuigen, waaronder modelluchtvaartuigen, het afgelopen jaar, de verwachte snelle groei de komende maanden en de hiermee gepaard gaande veiligheidsrisico’s, is het niet gewenst dat er langer dan nodig enig misverstand over bestaat dat uitsluitend het recreatieve gebruik van modelluchtvaartuigen onder de in de Regeling modelvliegen opgenomen regels is toegestaan. Met de onderhavige regeling komt ondubbelzinnig vast te staan dat alle andere vormen van gebruik van modelluchtvaartuigen en het gebruik van lichte onbemande luchtvaartuigen niet zijn toegestaan zonder ontheffing. Hiermee wordt een mogelijk bestaande onduidelijkheid in regelgeving weggenomen. Dit is nodig met het oog op en effectieve rechtshandhaving. Gelet op het voorgaande wordt met betrekking tot artikel I, onderdeel A, met gebruikmaking van de uitzonderingsgrond ‘spoedregelgeving’ een uitzondering gemaakt op het systeem van vaste verandermomenten.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu

W.J. Mansveld

 

  1. Disclaimer. Deze tekst is vanuit informatief oogpunt samengesteld. De originele tekst gepubliceerd in de Staatscourant geldt. Zie www.overheid.nl Het is mogelijk op deze site om andere datum (dan huidige datum) van geldige regelgeving in te voeren, zowel in het verleden als in de toekomst.
  2. Zie ook artikel 4
  3. De regels in artikel 2 gelden alleen voor recreatief gebruikte modelluchtvaartuigen. De regels voor beroepsmatig gebruikte lichte onbemande luchtvaartuigen zijn feitelijk beperkt tot een verbod (in artikel 1 van deze regeling). Als ontheffing wordt verleend van dit verbod gebeurt dat met de nodige voorschriften en beperkingen. Bovendien moet de aanvrager aan allerlei eisen voldoen om in aanmerking te komen voor een project-of bedrijfsontheffing. Dit i.v.m. restrictie van de wet richting minister dat de ontheffing kan worden verleend ‘mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer’. Zie het informatiebulletin V07 op www.ilent.nl
  4. Recreatief gebruikt
  5. De algemene vliegvoorschriften staan in de artikelen 12 t/m 41a van het LVR (= Luchtverkeersreglement, zie www.overheid.nl en gaan over het gebruik van een hoogtemeter (zie d.), het verwijderen van voorwerpen of stoffen (zie e.), slepen (zie f.), kunstvluchten (zie g.), uitwijken, recht vooruit naderen, kruisende koersen (modelluchtvaartuigen verlenen voorrang aan al het andere luchtverkeer !), (rechts) inhalen, uitwijken voor landend verkeer, landen, noodlanding, taxiën, in de nabijheid van een luchthaven, lichten, vliegplan (zie j.), seinen, tijd, gecontroleerde vluchten (zie k.), radaridentificatie en hoogtemelding (zie o.), onderschepping en wederrechtelijke inmenging (kaping).
  6. Regeling verwijderen voorwerpen – zie www.overheid.nl
  7. Zie www.ais-netherlands.nl GEN 2.7 sunrise/sunset tables
  8. Gecontroleerde vlucht = een vlucht waarvoor een klaring (van een luchtverkeersleider) is vereist.
  9. Ongecontroleerde luchthaven: Luchthaven zonder plaatselijke luchtverkeersleiding. Zie www.lvnl-ohd.nl onder kabelballonnen een kaart met luchthavens en laagvlieggebieden
  10. Zie de website van de betreffende provincie voor de verleende TUG-ontheffingen
  11. Zie voetnoot 9
  12. Zie www.lvnl-ohd.nl bijzondere vluchten, verwijderen van voorwerpen
  13. Zie de toelichting
  14. In 1993.
  15. Nadien is ‘artikel 1a Bijzondere luchtvaartuigen’ in het LVR opgenomen. De titels 5.1 en 5.2 van de Wet luchtvaart en dit besluit (=het LVR), met uitzondering van het tweede en derde lid (van artikel 1a) en de artikelen 20 en 63 (van het LVR) zijn niet van toepassing op d. (een) modelluchtvaartuig, zijnde een luchtvaartuig van geringe afmeting, niet in staat een mens te dragen, waarvan de totale startmassa niet meer dan 25 kg bedraagt. De artikelen 5.3 en 5.5 van de Wet luchtvaart zijn (wel) van toepassing, zodat het verboden is op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht. Bij regeling van de minister (van IenM en Defensie) worden (op grond van artikel 1a LVR) regels gesteld ten aanzien van de deelname aan het luchtverkeer = de Regeling modelvliegen.
  16. Vervangen door: Besluit luchtvaartuigen 2008
  17. Nu: Artikel 2, tweede lid onderdeel a van het Besluit luchtvaartuigen 2008)
  18. Artikel 14 Luchtvaartwet is vervangen door artikel 8.1.a Wet luchtvaart en 8a.50, eerste lid, Wet luchtvaart.
    In het Besluit burgerluchthavens zijn in artikel 20 onderdeel a ‘modelvliegtuigen waarvan de totale massa ten hoogste 25 kg bedraagt’ aangewezen als luchtvaartuigen waarop het verbod in artikel 8.1 a Wet luchtvaart niet van toepassing is. Artikel 8.1a verbiedt het om met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen, anders dan van of op een luchthaven.
  19. Momenteel een terrein met een TUG-ontheffing van GS van de betreffende provincie
  20. Deze strafbare feiten zijn overtredingen die kunnen worden bestraft met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van ten hoogste de derde categorie (€7.800 sinds 1-1-2012)