KNVvL Modelvliegsport

Wet milieubeheer

Het ontstaan van de Wm

In de jaren zeventig besloot de regering de milieuproblematiek op te delen in een aantal specifieke problemen zoals  bodemverontreiniging, waterverontreiniging, luchtverontreiniging, afvalstoffenproblematiek, geluidhinder, etc deze lijn van denken wordt ook wel aangeduid als de sectorale benadering van de milieuproblematiek en heeft geresulteerd in een beleid voor elk van deze problemen met elk weer afzonderlijke wetten.
De, voor ons, belangrijkste milieuwetten die hieruit voortgekomen zijn de hinderwet en de wet geluidhinder. Door het grote aantal van deze wetten die uiteenlopende werkingsgebieden hebben, bleek het in tweede helft van de jaren zeventig noodzakelijk een wettelijke regeling te maken voor onderwerpen die deze sectorale wetten gemeenschappelijk hebben, zoals vergunningsprocedures en beroep. Dit leverde de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne op. Het spreekt voor zich dat de situatie zoals die toen bestond uitermate ondoorzichtig en inefficiënt was. Uitvoerbaarheid en handhaving bleek ook nauwelijks mogelijk.
Om meer structuur te brengen in de milieuwetgevingen besloot de regering in 1990 tot invoering van de Wet Milieubeheer en als gevolg hiervan zijn de meeste toenmalige sectorwetten nu verdwenen.

De Wm bevat de volgende hoofdstukken.

1. Algemeen
2. Adviesorganen
3. Internationale zaken
4. Plannen
5. Milieukwaliteitseisen
6. Milieuzonering
7. Milieueffectrapportage
8. Inrichtingen
9. Stoffen en producten
10.Afvalstoffen
11.Andere handelingen
12. Verslag- Registratie en Meetverplichtingen
13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
14. Coördinatie
15. Financiële bepalingen
16. Financiële zekerheid
17. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
18. Handhaving
19. Openbaarheid van milieu informatie
20. Beroep
21. Verdere bepalingen
22. Slotbepalingen

Een aantal van deze hoofdstukken is op 1 maart 1993 in werking getreden. Naast een aantal verplichtingen die de Wm oplegt aan overheden, zijn er ook verplichtingen voor burgers.
Deze staan onder andere omschreven in het, voor ons, belangrijkste Hoofdstuk 8: Inrichtingen.
In het onderstaande wordt een rode draad gelegd van de wetsartikelen die belangrijk zijn voor vergunningsaanvragen door modelvliegverenigingen.

Wat is volgens de Wm een inrichting

Hierover schept de definitie in art 1.1. duidelijkheid.
Lid 1 definieert een inrichting als: “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;”
Lid 3 bepaalt: “Bij Amvb worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken”;
Op www.overheid.nl >> “wet- en regelgeving” >> Amvb’s >> zoek “vergunningenbesluit”, vindt u de Amvb: Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer (IVM). Bijlage I
Categorie 19.1-g geeft modelvliegterreinen de volgende classificatie:
g. inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken
1. van gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen, -voertuigen.
2. bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of  oor recreatieve doeleinden.
Het terrein waar gevlogen wordt met gemotoriseerde modelvliegtuigen (dus niet zweefmodellen) is dus een inrichting waarvoor een vergunning dient te worden aangevraagd.

Bij wie kan een vergunning worden aangevraagd

De hoofdregel ter zake wie bevoegd is te beslissen over de aanvraag om een vergunning staat in art. 8.2. Wm. Deze geeft Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn gelegen of is gelegen, de bevoegdheid te  beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en vierde lid.
In deze laatstgenoemde leden worden de gevallen genoemd waarin Gedeputeerde Staten (GS) van provincies of de Minister van  Economische Zaken mogen op de aanvraag.
Het aanvragen van deze vergunning is vrij simpel, zie onderstaand voorbeeld:


Aan
Het College van Burgemeester en Wethouders der Gemeente.......,
Postbus........,

Geacht College,
Middels dit Schrijven verzoeken wij ,............................ (naam club), u ons volgens artikel 1.1 lid 3 en artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer benodigde vergunning voor een (inrichting of) terrein, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid word geboden tot het gebruiken van gemotoriseerde modelvliegtuigen, als omschreven in categorie 19.1 onder g in bijlage l van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer, te willen verlenen.
Locatie van onze activiteiten is het terrein, kadastraal bekend,.....(plaatselijk bekend..).
Er op Vertrouwend dat u ons bovengenoemde vergunning zal verlenen en U bij voorbaat danken, verblijven wij,
Met de meeste Hoogachting,
(naam Club)
Voorzitter Secretaris


Wijze waarop de aanvraag om een vergunning moet geschieden.

Artikel 8.5 van de Wm zegt dat bij Amvb regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag moet geschieden en de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissingen van de aanvraag. Deze regels zijn weer opgenomen in het IVM:
Artikel 4.1. lid 1 geeft aan dat een vergunning waarover B & W mag beslissen in viervoud bij B & W ingediend kan worden.
Artikel 4.2. zegt dat de aanvraag door of namens de aanvrager dient te worden ondertekend en dat de bij de vergunningaanvraag  behorende stukken door of namens de aanvrager dienen te woorden gekenmerkt als behorende tot de aanvraag.
Hoofdstuk 5.1 geeft aan welke gegevens verstrekt moeten worden bij de aanvraag (zoals naam, aard van de inrichting, capaciteit, etc.). Speciaal van belang zijn hier artikel 5.1 en 5.10 (geluidsrapport), eventueel 5.2 (indien de inrichting tijdelijk is), 5.3 (indien er gebouwd
wordt).
Hoofdstuk 5.2 geeft aan welke gegevens verstrekt moeten worden bij het veranderen van een inrichting. Kern van dit hoofdstuk is artikel 5.16.
Artikel 8.6 van de Wm verklaart dat artikelen 13.2 en 13.4 van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een vergunning. Voor het modelvliegen is afdeling 13.2 van belang:
Artikel 13.2.1 gaat over de indeling van de aanvraag met betrekking tot de ontvankelijkheid (dit houdt de vraag in of men de aanvraag wel of niet behandelen zal). Van belang is hier dat B & W na ontvangst overheid een bericht van ontvangst aan de aanvrager moeten sturen met de datum van ontvangst. Een geluidsrapport van de KNVvL kan hier de aanvraag bespoedigen.
Artikel 13.2.2 gaat over het onderwerp van de beschikking tot het opstellen waarvan het bevoegde gezag zo spoedig mogelijk toe over moet gaan. Een exemplaar van dit ontwerp dient uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst verzonden te worden aan de aanvrager en de betrokken overheidsorganen. Deze termijn kan anders worden indien voor de aanvraag een milieu-effect rapportage moet worden opgesteld, of indien het een ingewikkelde of omstreden onderwerp betreft.
Uiterlijk twee weken na deze toezending maakt het bevoegde gezag het ontwerp van de beschikking bekend, in ieder geval door:
a. Ter inzagenlegging
b. Publicatie in dag- nieuws- of huis-aan-huis-bladen.
Heeft de aanvraag betrekking op een inrichting dan dient het ontwerp tevens bekend te worden gemaakt door aanplakking van een kennisgeving aan het gemeentehuis en niet op naam gestelde kennisgeving aan de gebruikers van gebouwde eigendommen die in de directe omgeving van de inrichting liggen, voor zover zodanige kennisgeving kan dienen om het beoogde doel te bereiken.
Tevens wordt het ontwerp ter inzage gelegd.
Tegen het ontwerp kan bezwaar worden ingediend door diversen adviseurs, hieronder zijn te noemen: de inspecteur (van het staatstoezicht op de volksgezondheid), B & W van de gemeente waarin de inrichting is gelegen en andere nader aan te wijzen personen of instanties. (hoofdstuk 7 IVM artikel 7.1 lid 2 onder a geeft ook adviesbevoegdheid aan B & W van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen.)
Binnen een maand na de dag waarop het onderwerp ter inzage is gelegd, kan een ieder (en ook genoemde adviseurs) gemotiveerde bezwaren tegen het onderwerp schriftelijk indienen bij het bevoegde gezag. Tevens wordt een ieder desgevraagd in de gelegenheid tot een gedachtewisseling over het onderwerp. Zo is het mogelijk mondelinge bezwaren in te brengen.
De beschikking op de aanvraag dient zo spoedig mogelijk te worden gegeven doch uiterlijk zes maanden na de datum waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij het een zeer ingewikkelde of omstreden onderwerp betreft. Vervolgens wordt de beschikking  bekendgemaakt en gezonden aan verschillende personen en instanties.
Inmiddels is gebleken dat de Wm een ongewenste bijwerking heeft. Van verschillende clubs zijn signalen ontvangen dat voor het afgeven van de vergunning/beschikking door gemeentes een aanzienlijk bedrag aan legeskosten wordt gevraagd. In een aantal  gevallen gaat het hier om duizenden euro’s. Uit kontakten met NOC*NSF is gebleken, dat meerdere sportorganisaties hiermee geconfronteerd zijn.
Dit was voor NOC*NSF aanleiding om het ministerie van VROM te verzoeken via een Amvb een aparte positie te realiseren voor de sport met betrekking tot de consequenties van de wet milieubeheer, alsmede om hangende dit onderzoek de Vereniging Nederlandse Gemeenten te verzoeken de gemeenten terughoudendheid te laten betrachten. De gesprekken hierover zijn nog gaande.
Om nu te voorkomen dat u tussentijds te maken krijgt met een gemeente die u dwingt een vergunning aan te vragen, of zoals in sommige gevallen reeds is geschied, dwingt tot betaling van een hoog bedrag aan leges, zijn op de volgende bladzijde een tweetalverzoekschriften opgenomen, die voor de genoemde situaties van nut kunnen zijn. Deze voorbeelden zijn
verstrekt door het NOC*NSF.
Artikel 8.8 lid 1 van de Wm zegt dat het bevoegd gezag in ieder geval bij de beslissing op de aanvraag moet betrekken : de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken, de gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan
veroorzaken, de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu, natuurlijk de uitgebrachte adviezen en de ingediende bezwaren.
Artikel 8.8 lid 2 van de Wm zegt dat het bevoegde gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening moet houden met: het geldende milieubeleidsplan en eventuele geldende richtwaarden die zijn ingesteld.
Artikel 8.8 lid 3 van de Wm zegt dat het bevoegde gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht moet nemen: de voor de inrichting, indien zij bestaan, geldende grenswaarden en de eventueel bij Amvb of provinciale milieuverordening gestelde regels
(verplichtingen of voorschriften) waar de vergunningplichtige zich aan hebben te houden.
Artikel 8.10 van de Wm zegt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu geweigerd kan worden.
Natuurlijk, zie artikelen 8.11 e.v., kunnen er allerlei voorschriften aan de vergunning worden verbonden.
Artikel 8.16 van de Wm vervolgens zegt dat in een vergunning kan worden bepaald dat bij de vergunning gegeven voorschriften pas van kracht worden op, gelden tot of blijven gelden tot een aangegeven tijdstip of zich een aangegeven omstandigheid voordoet.
Artikel 8.17 van de Wm geeft aan dat in een vergunning kan worden bepaald dat deze geldt voor een vast te stellen termijn. Dit kan nooit meer dan 5 jaar zijn indien onder meer de inrichting tijdelijk is of de vergunning voor een bepaalde tijd wordt aangevraagd. In ieder
geval, art 8.18, vervalt de vergunning indien de inrichting niet binnen 3 jaar na onherroepelijkheid van de vergunning voltooid en in werking is gebracht. In het algemeen is de “drijver van de inrichting”, degene voor wie de vergunning geldt; deze draagt er tevens zorg voor dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd (art. 8.20).
Volgens artikel 8.22 lid 1 van de Wm moet het bevoegde gezag regelmatig bezien of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Het bevoegde gezag heeft de bevoegdheid de beperkingen of voorschriften van de vergunning te wijzigen, aanvullen of intrekken in het belang van het beschermen van het milieu. Dit kan ook geschieden op aanvraag van de vergunninghouder (8.24).
Belangrijk is art. 8.25 lid 1 van de Wm waarin staat dat het bevoegde gezag een vergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken, indien de inrichting ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt of gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of de inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest. Ook kan volgens lid 3 een ieder, met uitzondering van de vergunninghouder, het bevoegde gezag verzoeken een vergunning op grond van het genoemde lid 1 intrekken. De  vergunninghouder zelf kan ook om intrekking verzoeken, hetgeen, indien het milieu zich daartegen niet verzet, kan geschieden door het bevoegde gezag (art 8.26).
Verder bepalen de artikelen 8.44 en 8.45 nog dat er een mogelijkheid is om bij Amvb regels te stellen (deze worden dan gesteld door de centrale overheid).

Beroep instellen

Artikel 20.6 stelt de mogelijkheid van beroep open bij de kroon, afdeling geschillen van bestuur. Beroep kan worden ingesteld door de aanvrager, de adviseurs, degenen die bezwaar hebben ingediend op de ontwerpbeschikking, degenen die bezwaren hebben tegen
wijzigingen die bij het geven van de beschikking ten opzichte van het ontwerp zijn aangebracht en belanghebbenden die aantonen dat zij redelijkerwijs niet in staat zijn geweest bezwaren in te dienen. Beroep kan uiterlijk tot een maand na afgifte van de beschikking worden ingesteld.
Artikel 20.5 onder a. stelt een weigering een beschikking te geven of b. het niet binnen de gestelde termijn aan aanvrager verzenden van een exemplaar van een beschikking gelijk aan een daadwerkelijk gegeven beschikking.

Raad van State

In beide gevallen kunnen betrokkenen in beroep komen bij de kroon (d.i. het zogenaamde kroonberoep). Natuurlijk is het ook mogelijk dat, mocht de vergunning wel verstrekt zijn, maar niet volledig naar genoegen van de modelvliegclub of bezwaarden men in beroep komt
tegen de beslissing van het College. Deze beroepsgang wordt begonnen met het sturen van een beroepschrift (in tweevoud) naar de Koningin op het adres van de Raad van State, afdeling geschillen van bestuur, te ‘s-Gravenhage (Postbus 20019, 2500 EA ‘s-Gravenhage).
Het is van grootst belang dat dit binnen een maand na dag tekening van (of verzending van) bovengenoemde beslissing van het College wordt gedaan, daar men anders niet ontvankelijk in zijn beroep zal worden verklaard en gaat de procedure niet door! In dit beroepschrift moet aangegeven worden dat men het niet eens is met de beslissing, welke bezwaren men hiertegen heeft en dat men verzoekt de beslissing te vernietigen of althans te wijzigen op grond van de (het) aangevoerde bezwa(a)r(en). De bezwaren moeten zodanig worden ingekleed dat hieruit blijkt dat:
a) Het besluit met een algemeen verbindend voorschrift (bijv. wet) strijd;
b) Het overheidsorgaan dat het bestreden besluit nam bij het nemen daarvan zijn bevoegdheid kennelijk tot een ander doel heeft gebruikt dan tot de doeleinden waartoe die bevoegdheid is gegeven;
c) Het overheidsorgaan dat het bestreden besluit nam bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen (willekeur);
d) Het overheidsorgaan dat het bestreden besluit nam anderszins in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur (bijv. Rechtsongelijkheid, rechtsonzekerheid) heeft beslist.
Deze procedure is niet kosteloos. Momenteel bedraagt het bedrag aan leges € 276,-. Overigens word dit geld niet teruggestort, indien uiteindelijk blijkt dat de bezwaarde feitelijk gelijk had. Naast deze beroepsprocedure kan men nog een schorsing van de uitvoering van  de beslissing van het College vragen aan de voorzitter van de Raad van State, afdeling geschillen van bestuur. Men moet dan gemotiveerd kunnen aantonen, dat men meer nadeel zal ondervinden indien de beslissing ten uitvoer wordt gebracht, dan wanneer dit niet gebeurt. Ook kan men bij deze procedure verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het genoemde nadeel zal (kan) worden voorkomen. Vaak word in het verzoek aan de Voorzitter gevraagd om de beslissing van het College te schorsen of indien er geen grond tot schorsing is, een zodanige maatregel te treffen dat het nadeel wordt voorkomen. Omdat tegelijkertijd een beroep moet zijn ingesteld tegen de beslissing, moet ten bewijzen van het gedane beroep, het beroepschrift zijn bijgevoegd. Ontbreekt dit, dan krijgt men doorgaans nog een beroep dat dit ontbreekt, met de kans het nog in te leveren. Heeft men echter geen beroep ingesteld, dan is het veelal te laat om dat nu nog te doen. Nadat het beroepschrift is binnengekomen stuurt de secretaris van de raad van state een bericht aan de bezwaarde(n) dat het beroepschrift is binnengekomen, eventueel dat nog nadere (in de brief) genoemde stukken worden aangeleverd en tevens dat binnen 14 dagen na dagtekening het bedrag aan leges moet worden betaald. Wordt dit niet gedaan, dan wordt men niet ontvankelijk verklaard. Als begin van de procedure wordt aan het College van Burgemeester en wethouders der gemeente gevraagd of zij op grond van het ingediende beroepschrift een verweerschrift willen indienen.
Hierna wordt (meestal) een “ambtsbericht” (dit is een advies) gevraagd aan de instantie die de Kroon moet adviseren in de beroepen in het kader van de Wet Geluidhinder, voor het modelvliegen is deze in het algemeen het Ministerie van VROM. Als dit ambtsbericht binnen
is, krijgt de bezwaarde een schrijven van de Raad van State, waarin staat dat de reeds ingeleverde stukken op de secretarie van de Raad van State ter inzage liggen en dat de hoorzitting op een bepaalde datum plaats vindt. De stukken kunnen dan binnen een in de brief genoemde termijn ingezien worden en indien gewenst kan de bezwaarde hiertegen nog een verweerschrift indienen. Als deze termijn verstreken is, kan er niets meer gedaan worden tot de hoorzitting. Op deze hoorzitting is het de bedoeling dat de bezwaarde(n) in persoon Verschijn(t)(en), of anders, bij schriftelijke machtiging, een gemachtigde. De beste voorbereiding op deze hoorzitting is het opstellen van een zogenaamde “pleitnota”. In deze pleitnota worden de bezwaren nog eens aangestipt en worden de beweegredenen tot het beroep verder aangegeven. De KNVvL kan de club behulpzaam zijn bij het opstellen van de pleitnota en natuurlijk bijstand verlenen op de hoorzitting. Het is niet de bedoeling dat met het opstellen van de pleitnota en het aanwezig zijn op de hoorzitting alleen door KNVvL vertegenwoordigers gedaan wordt, het is namelijk gebleken dat de clubleden veel beter op de hoogte zijn van de plaatselijke omstandigheden binnen de gemeente. Op de hoorzitting wordt de pleitnota overgedragen aan de rapporteur van de zitting en wordt deze aan de Staatsraden en andere belanghebbenden (of klagers) voorgelezen. Vervolgens worden de andere belanghebbenden (klagers) in de gelegenheid gesteld hun mening naar voren te brengen. Hierna stellen de Staatsraden een serie, meestal pittige en zeer terzake doende, vragen, tot de situatie hun duidelijk is. Sinds de invoering Tijdelijke Wet Kroongeschillen neemt de Raad van State zelf, na meestal enige weken, de beslissing op het bezwaarschrift en deelt deze beslissing aan de betrokkenen mee. In deze beslissing staat hetgeen moet gebeuren en de gemeente ( en de Bezwaarden) hebben zich hieraan te houden. Naast bovengenoemde procedure die met eigen initiatief aanvangt, kan het nog zo zijn dat andere bezwaar maken bij de raad van state. De club zal dan pas ingeschakeld worden als alle stukken bij de raad van state ter inzage liggen en de club kan dan een verweer tegen deze stukken bij de Raad van State indienen. Op de daaropvolgende hoorzitting kan de club vervolgens haar zegje doen, door middel van een eerdergenoemde pleitnota. Deze procedure heeft als grootste voordeel dat men samen met de gemeente het besluit van de gemeente verdedigen moet, in plaats van tegen het gemeentestandpunt in te moeten gaan (zoals in de bovengenoemde procedure werd geschetst). Ook hier wordt weer een ambtsbericht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer door de Raad van State gevraagd. Overigens moet opgemerkt worden dat in de Raad van State in overwegende mate beslist naar hetgeen in dit ambtsbericht over het modelvliegen wordt gezegd. Het aanvallen van dit ambtsbericht kan dan ook alleen vruchten afwerpen, indien men overtuigend kan aantonen dat het ambtsbericht van verkeerde informatie uitgaat. Dit bewijs is meestentijds moeilijk te leveren.

Kamer van Koophandel kan helpen

De Kamers van Koophandel in Nederland beschikken over de kennis en ervaring die ook heel nuttig kan zijn voor modelvliegclubs. Bijvoorbeeld voor het aanvragen van een milieuvergunning die nu eenmaal nodig is om met motormodelvliegtuigen te kunnen vliegen.
Het kan dus nuttig zijn om, als U daarmee te maken krijgt, bij de KvK in uw regio of stad hulp en ondersteuning te vragen.
Het afdelingsbestuur zal nagaan of er mogelijkheden zijn om tot landelijke afspraken te komen met de Kamers van Koophandel over hun rol bij dit type problemen.


Warning: Parameter 2 to modChrome_artblock() expected to be a reference, value given in /home/vhosting/o/vhost0006105/domains/modelvliegsport.nl/htdocs/www/templates/modelvliegsport2014/html/modules.php on line 39

Warning: Parameter 3 to modChrome_artblock() expected to be a reference, value given in /home/vhosting/o/vhost0006105/domains/modelvliegsport.nl/htdocs/www/templates/modelvliegsport2014/html/modules.php on line 39